Arent Pietersz Throon 1620 – 1694

Arent Pietersz stamde uit een geslacht van timmerlieden. Zijn grootvader Albert Pietersz (1570-1636) woonde in de jaren 1616 tot 1636 aan de hogezij, halverwege van zuid naar noord omstreeks nummer 15. Op deze plaats zou ook Arent Pietersz zich later vestigen. Zijn vader Pieter albertsz, vermoedelijk ook opgeleid als timmerman, woonde van 1636 tot zijn overlijden, omstreeks het jaar 1650, aan de lagezij, op fo nabij de Schoolbuurt en participeerde onder andere in het Noordeinder taanhuis en in een vaarhuis. Zijn weduwe vestigde zich daarna op de grootvaderlijke plaats. Arent Pietersz zelf werd voor het eerst in 1648 als belastingplichtige geregistreerd, ten huize van zijn ouders, maar verhuisde omstreeks 1652 naar de grootvaderlijke woning, bij zijn moeder. Hij bleef daar wonen tot zijn dood op 25 september 1694, acht dagen na zijn laatste preekbeurt die hij hield in de Rijp. Rond het jaar 1655 werd hij bekend onder de naam Arent Pietersz Throon (of Troon). Zijn zoons Pieter en Albert zetten het timmermansbedrijf voort. Albert wordt daar gesignaleerd vanaf 1684, Pieter vanaf 1700. Grootvader Albert Pietersz was een man van matig welstand, getuige de aanslag voor zijn huis en landerijen die in 1636 53 stuivers bedroeg. Hij bezat weinig land. Voor zijn zoon Pieter Albertsz lijkt hetzelfde te hebben gegolden. Ook Arent Pietersz bleef zijn hele leven een man van bescheiden middelen. Ook hij bezat weinig of geen land. Voor zijn werk als leraar bij de doopsgezinden in de Rijp ontving hij, althans rond 1659, één of twee maal per jaar een toelage. Tegen het eind van zijn leven, in de jaren 1690, was zijn vermogen nauwelijks gegroeid, maar wel werd hij een man van aanzien. Hij was vier maal weesmeester van Noordeinde en bekleedde tot kort voor zijn dood de functie van rooimeester (belast met de taak er op toe te zien dat de bouwvoorschriften in acht werden genomen), een functie waarvoor hij trouwens als timmerman een natuurlijke keus moet zijn geweest. Bij de stichting van de Noordeinder doopsgezinde gemeente in het jaar 1655 zal hij omstreeks 35 jaar oud zijn geweest. Hij bediende er in de jaren 1655 tot en met 1693 zestien maal het avondmaal en deed dat in de Rijp in de jaren 1668 tot 1688 dertien keer. Hij roept het beeld op van een sober, toegewijd en gezaghebbend leraar. Arent Pietersz trouwde Maertje IJsbrandts, vermoedelijk zijn buurmeisje van twee huizen verder aan de hogezij. Daar woonde (bij nummer 13) in de jaren 1640 en in het begin van de jaren 1650 het gezin van IJsbrandt Teunisz, een vrij welgesteld man, naar het schijnt afkomstig uit de Rijp, waar hij in 1640 nog bezittingen had. De naam IJsbrandt kwam in Noordeinde slechts sporadisch voor. Maertjes broer Pieter IJsbrandts, bij stichting van Noordeinds doopsgezinde gemeente als lidmaat vermeld, woonde later met zijn vrouw Eefje Teunis aan de lagezij. Arent en Maertje hadden minstens vier kinderen. In 1670 doopte, blijkens het Kerckenboeck, Arent hun zoon IJsbrandt Arentsz Throon, in 1676 hun zoon Albert Arentsz, in 1679 hun dochter Jantjen Arents en in 1685 doopte Engel Arentsz van Dooregeest, de leraar van de Rijp, hun zoon Pieter Arentsz Throon. De zonen Albert en Pieter Arentsz vinden we vele jaren in de lidmatenlijsten. Albert werd een succesvol zakenman –misschien trouwde hij een vermogende vrouw?. In 1710 ontving hij voor zijn gezamenlijke bezittingen in Noordeinde een aanslag van ruim 43 gulden en in 1715 –hij bezat toen, behalve zijn woonhuis, nog anderhalf huis elders in Noordeind en diverse percelen land- bedroeg zijn aanslag bijna 70 gulden. Hij werd vroeg weduwnaar, werd in 1700 vermeld als lidmaat, tezamen met zijn dienstmaagd Trijn Meijnders en overleed omstreeks het jaar 1718. Van Arent Pietersz’ kleinkinderen dient nog Cornelis Albertsz Throon te worden vermeld, die volgde in het voetspoor van zijn grootvader en blijkens het Kerckenboeck de doopdienst in het jaar 1701 verzorgde. Hij huwde Trijntje Sijmons

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*